Hoofdstuk 10 · Ondergrond
Hoe wordt de ondergrond gecontroleerd?
Een draagkrachtige, schone en voldoende droge ondergrond is een voorwaarde voor de hechting van het systeem. Dit hoofdstuk beschrijft geschikte ondergronden, controlestappen en uitsluitingen.
Welke ondergronden zijn geschikt?
Draagkrachtige, minerale en andere poreuze ondergronden zoals beton, cement, metselwerk, steen, pleisterwerk, ongeglazuurd keramiek, gipskarton, eterniet, betonstenen, hout of teerpapier – ook oud, draagkrachtig bestand (bijv. monumentale gebouwen).
Hoe moet de ondergrond zijn?
Droog, vast en draagkrachtig, en vrij van losse delen, olie, vet, stof, schimmel, zout en oude, loszittende coatings. Losse of niet-draagkrachtige oude coatings moeten worden verwijderd.
Hoe wordt de vochtigheid gecontroleerd?
De ondergrondvochtigheid moet onder 4 % liggen (bij beton onder 2,5 %). De meting gebeurt met een geschikt vochtmeetinstrument; bij twijfel moet de belegrijpheid worden afgewacht.
Hoe wordt de draagkracht beoordeeld?
Door een visuele controle en veegproef (stof, verzanding), krab-/klopproef (holle plekken) en – bij twijfel – een hechttrek- of ruitjessnedetest op de voorziene grondering.
Controlelijst vóór het aanbrengen van de grondering
| Controlepunt | Eis |
|---|---|
| Stevigheid / draagkracht | vast, draagkrachtig, geen holle plekken of verzanding |
| Netheid | vrij van stof, olie, vet, schimmel, zout, losse delen |
| Oude coatings | alleen draagkrachtige coatings laten zitten, losse verwijderen |
| Ondergrondvochtigheid | < 4 % (beton < 2,5 %) |
| Ondergrondtemperatuur | +5 °C tot +30 °C, niet rechtstreeks door de zon beschenen boven +30 °C |